Informeren, adviseren en procederen in het belastingrecht

Wet DBA op drift

Eindelijk duidelijkheid scheppen over wanneer iemand nou écht zelfstandig is en wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid — dat knagende probleem waarbij iemand in feite werknemer is, maar zonder bescherming of zekerheid. Dat was het doel van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) die in 2016 met veel tromgeroffel werd ingevoerd als opvolger van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR).

De werkelijkheid? De Wet DBA bleek al snel een juridisch moeras van goede bedoelingen, slechte uitvoerbaarheid en bestuurlijke koudwatervrees. De Belastingdienst kreeg de taak om toezicht te houden op arbeidsrelaties, maar besloot dat toezicht jaren op pauze te zetten — uit angst om ‘goede’ opdrachtgevers te straffen. Een handhavingsmoratorium werd ingesteld: een wet zonder tanden dus. Alleen bij “kwaadwillenden” (een vage categorie waarvoor men de lat zo hoog legde dat bijna niemand eraan voldeed) werd handhavend opgetreden.

De juridische reality check: Deliveroo en de terugkeer van het dienstverband

Toen kwam in 2023 het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. De boodschap was helder (althans in juridische termen): het maakt niet uit wat in het contract staat of hoe je jezelf noemt; als de arbeidsrelatie feitelijk voldoet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst (gezag, loon, arbeid), dan is het dat ook. De zelfstandigheid van de Deliveroo-koeriers bleek dus een illusie — juridisch waren het gewoon werknemers.

Voor de overheid was dit arrest een wake-up call, of in ieder geval een irritante herinnering dat het speelveld totaal uit balans is. Want laten we eerlijk zijn: zolang je je werknemers gewoon “zzp’er” noemt, bespaar je op sociale premies, heb je geen re-integratieplicht en geen cao’s om rekening mee te houden. Waarom zou je dan géén gebruik maken van dit flexibele arbeidssurrogaat?

Commissie Borstlap: Een pijnlijk duidelijke diagnose

De Commissie Regulering van Werk, onder leiding van Hans Borstlap, zette in 2020 de zaken vlijmscherp op een rijtje. De conclusie: het Nederlandse arbeidsmarktmodel is uit balans, juridisch inconsistent en sociaal onrechtvaardig. De wildgroei aan contractvormen ondermijnt de solidariteit van het stelsel, zelfstandigheid wordt te vaak gebruikt als kostenbesparingsinstrument, en de wet- en regelgeving sluit niet aan bij de praktijk.

De commissie pleitte voor:

  • Herijking van het begrip ‘werken’: minder verschil tussen vast, flex en zzp.
  • Duidelijke, afdwingbare criteria voor zelfstandig ondernemerschap.
  • Gelijke behandeling en sociale bescherming, ongeacht contractvorm.

Heldere conclusies zijn één ding, politieke moed is iets anders.

Toezicht anno nu: Uitgestelde daadkracht in slow motion

Sinds 2025 wordt het toezicht op schijnzelfstandigheid langzaam opgestart — zij het met het tempo en enthousiasme van een ambtelijke werkgroep op vrijdagmiddag. De Belastingdienst is begonnen met “gerichte bedrijfsbezoeken”, vooral bij sectoren waar het risico op schijnzelfstandigheid groot is (denk: platformwerk, zorg, bouw). Ook wordt er gebruikgemaakt van modelovereenkomsten die door de Belastingdienst zijn goedgekeurd. In de praktijk is het maar de vraag of deze de bescherming bieden tegen een juridische herkwalificatie zoals de belastingdienst beloofd.

Vanaf medio 2025 wordt het handhavingsmoratorium volledig afgebouwd — in theorie althans. Of de Belastingdienst dan ineens wel voldoende capaciteit, juridische slagkracht én politieke dekking heeft om echt op te treden, blijft de vraag.

Dus, wat hebben we?

  • Een wet (DBA) die jarenlang niet is gehandhaafd.
  • Een rechterlijke macht die de wetgever bij de les moet houden.
  • Een adviescommissie (Borstlap) die kraakhelder aangeeft wat er moet gebeuren, en een politiek bestel dat daar schoorvoetend op reageert.
  • Een overheid die het probleem van schijnzelfstandigheid erkent, maar zich jaren liever verschuilt achter “complexiteit” en “onzekerheid”.

Een groot deel van de arbeidsmarkt is een informeel niemandsland waarin risico’s worden afgewenteld op de werkende zelf — en waarin zelfstandigheid soms niet meer is dan een uurtarief met een aansprakelijkheidsclausule.

Als opdrachtgever zit er niet veel anders op dan zo goed mogelijk vast te stellen of een opdrachtnemer nu wel echt zelfstandige is. Dat kan met een vertrouwde tussenpersoon die dat beoordeeld. Een werknemer hoeft daar niet aan mee te werken. Voor ondernemers gelden evenwel andere spelregels. In de afspraken die je als ondernemers maakt ligt de bewijslast voor ondernemerschap bij degene die beweert ondernemer te zijn. Dat kun je dan maar beter van tijd tot tijd nalopen.

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.